Een dilemma over paaseieren… of eigenlijk over identiteit
- Bianca Beersma

- 6 uur geleden
- 2 minuten om te lezen
Als hoogleraar aan de VU heb ik interessant werk, op een afdeling met lieve, superslimme, inspirerende collega’s, waar ik sinds iets meer dan een jaar ook afdelingshoofd van ben. Maar soms krijg ik als moeder van een kind met een beperking toch met een klein dilemma te maken.
Onze office managers organiseren vaak leuke dingen. Omdat veel collega’s jonge kinderen hebben, is de volgende activiteit paaseieren zoeken, met knutselen, paasversiering en veel chocola. Mijn zoon Roan houdt van kindjes en van chocola. Maar hij kan niet knutselen en geen eieren zoeken. Ik vroeg me af of ik hem zou meenemen.
Ik vroeg aan een collega van de afdeling beveiliging hoe ik met een rolstoel binnen zou komen. Hij vertelde dat ik een aanvraag moest doen voor een gehandicaptenparkeerplaats. Prima. Maar onze afdeling zit op de tweede verdieping en daar kun je niet met de lift komen, de VU vindt dat traplopen gezonder is. Dat is waar, maar niet met een rolstoel. Er bleken twee gast‑liftpasjes te zijn. Als die in gebruik zijn, zou iemand ons naar boven begeleiden. Ik vroeg maar niet hoe we dan weer beneden zouden komen. Langzaam werd duidelijk dat “even met Roan naar het paaseieren zoeken gaan” allesbehalve eenvoudig zou zijn.
Bovendien zou het gebouw hem kunnen doen denken aan een ziekenhuis, hij zou gespannen kunnen raken, gaan gooien met meubilair of hard schreeuwen en daarmee kleine paasei‑zoekende kindjes laten schrikken.
Een stem in mijn hoofd zei: “Maar je hoeft hem toch niet te verstoppen?” En een andere vroeg: “Waarom wil je hem eigenlijk meenemen?” Het eerlijke antwoord is simpel en een beetje pijnlijk: soms wil ik dat het deel van mijn identiteit als moeder van Roan óók gezien wordt op mijn werk. Van jonge collega's hoor ik bijna dagelijks hoe pittig het is om wetenschap te combineren met kinderen en zorg voor ouder wordende ouders. En dat ís ook zo.
Ik ben blij dat ze erover beginnen en probeer te helpen. Soms grap ik dat ik al zestien jaar ervaring heb met een kind van één (al jaren Roans ontwikkelingsleeftijd). Maar ik denk niet dat mensen echt begrijpen hoe dat is. En soms wil ik het laten zien.
Tegelijkertijd vind ik dat een beetje triest en aandachtszoekerig. Gelukkig vind ik troost in onderzoek dat laat zien dat gezien en erkend worden in je identiteit een fundamenteel menselijke behoefte is. Daarop vorm ik blijkbaar geen uitzondering.
Uiteindelijk besluit ik dat ik Roan niet meeneem. Dat heeft voordelen; ik hoef niet extra vroeg naar de dagbesteding om hem op te halen. Ik hoef geen zoektocht door de VU te ondernemen met de rolstoel en loop niet het risico dat Roan gespannen raakt, want hij is gezellig met zijn pgb’er thuis. Er gaan geen kinderen schrikken van onverwachts geschreeuw of rondvliegend meubilair.
Ik neem gewoon een lekker paasei voor hem mee. En dat stukje identiteit van mij? Dat laat zich even niet zien op mijn werk, maar misschien wel een beetje in blogs zoals deze...





Opmerkingen